Op 1 november viert de katholieke kerk het hoogfeest van Allerheiligen. De basis voor dit feest ligt in het jaar 835, het jaar waarin door Paus Gregorius IV (827-844), een feestdag voor alle heiligen wordt ingesteld. Door een gestaag groeiend aantal heiligen is het al in de eerste eeuwen van het Christendom onmogelijk het feest van elk van hen afzonderlijk en waardig te vieren. De behoefte bestaat om een feestdag in te stellen, die alle heiligen onder één noemer vangt.

Aanvankelijk worden alleen diegenen herdacht die uit naam van hun geloof gemarteld en gedood zijn. In Rome wordt het Pantheon, een van oorsprong Romeinse tempel, gewijd in naam van alle martelaren. In de achtste eeuw betrekt Paus Gregorius III (731-741) ook de belijders, zij die niet fysiek voor hun geloof geleden hebben, in het feest. Paus Gregorius IV verplaatst het feest, dat oorspronkelijk op 13 mei plaatsvond -de wijdingsdag van het heidense Pantheon- naar de eerste dag van november.

Op 2 november, één dag na Allerheiligen is het Allerzielen. De katholieke kerk bidt dan voor alle zielen, die nog niet in de hemel zijn opgenomen maar in het vagevuur wachten op de wederkomst van Christus. Veel katholieken bezoeken het kerkhof waar hun dierbaren begraven liggen om hen met bloemen te gedenken. Er zijn bovendien tal van bijzondere plekken in stad en land waar een kaarsje aangestoken kan worden. Op de grote vijver in het Vondelpark dobberen dit jaar weer honderden lichtjes op het water. Iedereen is welkom om een bootje met een kaarsje te water te laten voor een geliefde, die zo deerlijk gemist wordt. Iedere keer weer een indrukwekkend schouwspel.