Tison & Taylor, Barbapapa redt de dieren, 1974/2003: ‘Ze zijn nog niet weg of er komen al weer andere jagers aan. Op zoek naar bont en andere kostbaarheden. Ook Barbabob is in gevaar!’
Tison & Taylor, Barbapapa redt de dieren, 1974/2003: ‘Ze zijn nog niet weg of er komen al weer andere jagers aan. Op zoek naar bont en andere kostbaarheden. Ook Barbabob is in gevaar!’
In een tijd zonder synthetische materialen, hielp het dragen van bont onze voorouders door de koude wintermaanden heen. Al waren de bontjes natuurlijk ook bedoeld als vertoon van rijkdom en status. De harige mode in mofjes, stola’s en mantels, afkomstig van verschillende dieren over de hele wereld, zullen hier worden besproken.

Winter, De vier seizoenen (serietitel), Wenceslaus Hollar, 1643, collectie Rijksmuseum
Winter, De vier seizoenen (serietitel), Wenceslaus Hollar, 1643, collectie Rijksmuseum

Furrs and wild Beasts haire

Wenceslaus Hollar (1607-1677) is een van de grote Europese prentkunstenaars van de 17de eeuw. In zijn kostuumseries wordt de diversiteit van vrouwenkleding in Engeland uitgebreid en gedetailleerd geïllustreerd. Hollar gaf vrouwen uit alle lagen van de samenleving weer, van een eenvoudige boerin tot een adellijke dame. Deze gemaskerde vrouw met hoofddoek heeft de handen in een mof. Ze is de personificatie van de Winter. Op de achtergrond een gezicht op Londen. Vanaf de zestiende eeuw droegen dames buitenshuis een masker van zwart fluweel of zijde. Deze diende tegen de koude wind, maar ook tegen de zon (en het krijgen van een bruine tint). Halve maskers konden in de hand worden gedragen en gevouwen. Hele maskers hadden een knop om ze tussen de tanden vast te kunnen houden. Onder de prent staat heel toepasselijk: The cold, not cruelty makes her weare. In Winter, furrs and wild Beasts haire. For a smoother skin at night. Embraceth her with more delight.

Hendrick Avercamp, 1595 – 1634 Staande man en vrouw, van voren, gekleed volgens de burgerlijke mode van ca. 1615; beiden hebben de handen in een mof, collectie Rijksmuseum
Hendrick Avercamp, 1595 – 1634 Staande man en vrouw, van voren, gekleed volgens de burgerlijke mode van ca. 1615; beiden hebben de handen in een mof, collectie Rijksmuseum
Hand mof en polsmofjes

In de mof zat soms een klein vakje, waarin je je persoonlijke bezittingen kon opbergen. Een mof werd namelijk niet alleen gebruikt om je handen mee te warmen, maar diende ook als versiering en om spullen in mee te nemen. Een mof wordt in het Woordenboek der Nederlandsche Taal ook wel beschreven als ‘Eene soort van gewatteerden koker, van buiten meestal met bont bekleed, aan de twee einden open, en waarin men de beide handen steekt; als middel tegen de koude. (…) In het Frans wordt het een: manchon genoemd, dat is afgeleid van het woord manche, ofwel mouw. Geen verrassende term gezien de locatie en overeenkomsten met een (onder)mouw. Vanaf de 17e eeuw werden er polsmofjes gedragen: twee kleine mofjes voor iedere arm (of hand) één. Op talloze prenten is te zien hoe vrouwen, als ze de handen niet in de mof hebben gestoken, de mof om één arm houden.

Detail van Mercure de France (serietitel), Modes de février-mars, 1729, collectie Rijksmuseum
Detail van Mercure de France (serietitel), Modes de février-mars, 1729, collectie Rijksmuseum
Echte mannen dragen een mofje

Moffen werden niet alleen door vrouwen maar ook door mannen gedragen. Op 30 november 1662 schrijft de Britse ambtenaar Samuel Pepys (1633-1703) in zijn dagboek : ‘I first did weare a muffe, being my wife’s last year’s muffe; and now that I have bought her a new one, this serves me very well…in this month.. of great frost’. In de 18de eeuw droegen heren hun bont mof aan een ceintuur om het middel. Deze was dikwijls versierd met strikken en linten. Een opmerking uit 1733: Een der Dames vroeg haar, of zy wel wist dat men nu groote moffen begon te dragen, die aen een ceintuur om het lyf vast zyn, V. EFFEN, Spect. 5, 194 [1733] (WNT).

Mof, anoniem, ca. 1780 - ca. 1795, collectie Rijksmuseum
Mof, anoniem, ca. 1780 - ca. 1795, collectie Rijksmuseum
Magasin des Modes Nouvelles Françaises et Anglaises, 10 décembre 1787, 3e cahier, 3e année, Pl. 1,2 et 3, collectie Rijksmuseum
Magasin des Modes Nouvelles Françaises et Anglaises, 10 décembre 1787, 3e cahier, 3e année, Pl. 1,2 et 3, collectie Rijksmuseum

Aan het eind van de 18de eeuw zijn de moffen uitgegroeid tot monsterlijk grote exemplaren. Zo zien we op een modeprent van 10 december 1787 uit het Franse modetijdschrift Magasin des Modes Nouvelles Françaises et Anglaises (1786-1789) twee vrouwen en een man staan met ieder een enorme mof in de hand. Ook hier verschillen de moffen weinig van elkaar. Die van de man is zelfs voorzien van een mooie strik. Een voorbeeld van zo’n grote mof bevindt zich in de collectie van het Rijksmuseum. De mof van langharig beige bont is gedateerd op ca. 1780 - ca. 1795. Op gelijke afstand zijn er zwarte satijnen linten genaaid en hij is gevoerd met lichtgroene en witte zijde. In de beschrijving staat dat deze mof waarschijnlijk is gedragen door een man. De zeer grote bontmoffen waren gemaakt van vos, sabel of eekhoorn en werden in alle seizoenen gedragen. Ze waren beslist geen overbodige luxe in de winter, zeker niet in de uitzonderlijk koude winter van 1784.

Beëdiging en inhuldiging van Koning Willem-Alexander in de Nieuwe Kerk (30 april 2013). Foto: Ministerie van Defensie
Beëdiging en inhuldiging van Koning Willem-Alexander in de Nieuwe Kerk (30 april 2013). Foto: Ministerie van Defensie
Koninklijk bont

Hermelijn is nog wel één van de bekendste bontsoorten. De hermelijn heeft een zomer- en een wintervacht. In de zomer is de vacht roodachtig bruin, in de winter is ze wit. De mode voor bont is gelijk gaan staan aan rijkdom, prestige, luxe, decadentie en exclusiviteit. Ofwel bedoeld voor de aristocratie en adel. Bepaalde privileges in de Middeleeuwen en Renaissance zorgde ervoor dat er en regelgeving was welke huiden gebruikt mochten worden voor de edelen en welke voor het gewone volk. Kleine zeldzame dieren als marter en hermelijn waren gereserveerd voor de rijken en voor de lagere klasse waren geit, wolf en schaap geschikt. De wintervachten van hermelijnen werden massaal verwerkt in de voering en garneringen van koningsmantels. De zwarte stippen zijn de staartjes. De witte kleur stond symbool voor morele zuiverheid. In de 19de eeuw werd bont nog steeds voornamelijk gebruikt voor accessoires, randen en voeringen.

Palatine

Naast de kasjmier sjaal droegen vrouwen in de 18de en begin 19de eeuw ook een ‘palatine’: een kleine stola gemaakt van bont of zwanendons. Volgens het WNT is een palatine een bontje dat vrouwen om de hals dragen, dat in 1676 in de mode gebracht door de Hertogin van Orleans, Charlotte Elisabeth van Beieren, ”la princesse Palatine”, en dat naar haar is genoemd. Oorspronkelijk schijnt de palatine van sabel- of ander bont te zijn gemaakt, pas later verschenen er ook palatines van struis-, zwanen- en hanenveren. Sabelbont was één van de fijnste, zeldzame soorten van marterbont. Het was al bekend in de oudheid, en was zeer gewild in de middeleeuwen als voering. Tot aan de 19de eeuw zou bont slechts als voering of versiering worden gebruikt. Sabeldier zou één van de meest luxe bontsoorten blijven tot aan de 20ste eeuw, totdat de nerts hem van de eerste plaats stootte.

Portret van Sophia Adriana de Bruijn geschilderd door Therese Schwartze en wordt op dinsdag 4 maart 1890 afgeleverd. Het is echter de vraag of ze het heeft kunnen bewonderen, want op deze dag komt ze te overlijden, collectie: Amsterdam Museum.
Portret van Sophia Adriana de Bruijn geschilderd door Therese Schwartze en wordt op dinsdag 4 maart 1890 afgeleverd. Het is echter de vraag of ze het heeft kunnen bewonderen, want op deze dag komt ze te overlijden, collectie: Amsterdam Museum.
‘Hand Moven’

Haar hele leven lang is jonkvrouw Sophia Lopez Suasso (1816-1890) een gepassioneerd verzamelaar van kleding, poppen, horloges en juwelen. Samen met haar man jonkheer Augustus Pieter Lopez Suasso (1804-1877) maakt ze elk jaar een grote reis door Europa, vaak in combinatie met een bezoek aan Parijs. Waarschijnlijk enkele jaren nadat haar man Augustus in 1877 is overleden begint Sophia verschillende notitieboekjes bij te houden waarin ze haar verzamelingen ordent en nummert. In haar notitieboekjes volstaat zij met een eenregelige omschrijving met de opvallendste kenmerken van het object zoals vorm en decoratie. Zo is er een schriftje met ‘De Klederen die bewaart moeten blijven’. Een enkele keer komen we in de notitieboekjes iets meer over haar persoonlijke leven te weten. Zo noemt Sophia een ‘witte sjaal die ik veertig jaar gedragen heb’. In de collectie van het Amsterdam Museum bevinden zich diverse kostuums en accessoires die van Sophia zijn geweest. Met de hulp van het schriftje kunnen we nu met zekerheid zeggen welke objecten van haar zijn geweest. Ze geven een mooi inzicht in wat een welgestelde dame in de 19de eeuw droeg in de winter.

Mofje, kraag en manchet, in doos, ca. 1870 - 1890  (collectie Amsterdam Museum, inv.nr. KA 1164.1/4)
Mofje, kraag en manchet, in doos, ca. 1870 - 1890 (collectie Amsterdam Museum, inv.nr. KA 1164.1/4)
Een voorbeeld hiervan is een mof, een kraag en een manchet (één manchet ontbreekt) van zwart apenbont (zeer waarschijnlijk van de franjeaap of colobusaap). In haar schriftje staat onder het kopje ‘Hand moven’: een rijgard (kraag?) en een hand mof en een paar manchette, gevoerd en is van apen bont. De accessoires zijn allemaal gevoerd met blauwe zijde. Bij de mof hoort een ronde doos van groen karton. De mof werd in de doos gedraaid zodat de haren mooi in vorm bleven. Op de doos zitten twee plakkers met daarop met inkt geschreven: Dit moet in de Verzameling bewaard blijven / Sophia Augusta Stichting. De manchetten en kraag werden in een andere doos geleverd. Op de deksel van een platte driehoekige doos van dezelfde kleur, waarvan het helaas onbekend is wat er precies in heeft gezeten, zitten dezelfde plakkers met nog een extra plakker waarop gedrukt staat: Magazijn van Russische en Amerikaansche Pelterijen C.L.C. Bornemann opvolger van P. Muller en van Joh. Mayer keizersgracht bij de Spiegelstraat, X 637 Amsterdam. Het is zeer goed mogelijk dat de parure van apenbont afkomstig is van deze pelterij in Amsterdam. In de tweede helft van de 19de eeuw was het modieus om dit soort langwerpige sjaals en bontkragen te dragen, gecombineerd met bijpassende bontmoffen.

Links: Accessoire set, C. G. Gunther's Sons, 1890–99, collectie: The Metropolitan Museum of Art. Rechts: Detail van Gazette des Femmes et bibliothèque des dames, ca. 1843, 5e Annee, No. 7
Links: Accessoire set, C. G. Gunther's Sons, 1890–99, collectie: The Metropolitan Museum of Art. Rechts: Detail van Gazette des Femmes et bibliothèque des dames, ca. 1843, 5e Annee, No. 7

Fur makes Fashion

Korte en lange mantels werden aan het begin van de 20ste eeuw gemaakt van laken of bont. Omdat bont steeds beter verwerkt kon worden en goedkopere bontsoorten op de markt kwamen, zoals dat van mollen, otters en bevers, werd het mogelijk voor vrouwen met een kleine portemonnee om bont te dragen. Ondanks de lange voorgeschiedenis van bont als garnering, voering en accessoire, werden bontmantels pas echt modieus in de jaren 1950. In deze periode werd bont (met name nerts), samen met andere voorbeelden van rijkdom en elegantie, zoals perfect gekapt haar en make-up, populair onder welgestelde vrouwen.

Een vrouw [in bontwinkel] bezig met het passen van een jas. De bontcoupeur inspecteert de bontjas / bontmantel van de cliënte. De jas bestaat uit 34 wasbeerhuidjes. Nederland, Amsterdam, 21 augustus 1953. Foto: Wout van de Hoef
Een vrouw [in bontwinkel] bezig met het passen van een jas. De bontcoupeur inspecteert de bontjas / bontmantel van de cliënte. De jas bestaat uit 34 wasbeerhuidjes. Nederland, Amsterdam, 21 augustus 1953. Foto: Wout van de Hoef

Faux Fur

Voor jonge vrouwen in de jaren 1960 waren de nerts bontjassen echter passé. Ze werden geassocieerd met een suffe oude generatie. Nieuwe bontsoorten als konijn en lam werden dankzij ontwerpers als Karl Lagerfeld en Pierre Cardin gewild. Vanaf de jaren 1970 werden welgestelde modieuze vrouwen het mikpunt voor dierenwelzijnsorganisaties zoals de Amerikaanse PETA (People for the Ethical Treatment of Animals) en het Engelse Lynx. In Nederland is dat sinds 1986 de Bont voor Dieren, die zich inzet voor de bescherming van pelsdieren. Opvallend is dat vossen- en chinchillafokkerijen in Nederland sinds 1995 en 1997 verboden zijn. Het fokken van nertsen voor hun pels is echter pas vanaf 2024 verboden. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek worden in Nederland op 160 pelsdierfokkerijen 1 miljoen pelsdieren gehouden. Het gaat voornamelijk om nertsen. Op de website van de Bont Voor Dieren staat een overzicht met hoeveel dieren er gemiddeld nodig zijn om één jas van hun bont te kunnen maken. Zo zijn er voor een middellange bontjas voor volwassenen 30 tot 60 nertsen nodig.

Succesvolle campagnes zoals die van Lynx hebben er voor gezorgd dat vrouwen anders naar bont in de mode gingen kijken. Hierdoor gingen ze een nieuw ideale vrouwelijkheid nastreven: dat van de morele en ethische vrouw. Alexander Mcqueen, die regelmatig bont gebruikte in zijn werk, reageerde hierop door een vrouw in een pak te tonen met een gouden skelet op haar schouders. In het begin van de Jaren 1990 introduceerde zelfs bekende ontwerpers als Karl Lagerfeld nep bont in hun werk. In zijn herfst winter collectie in 1994-1995 voor Chanel introduceert hij hoeden, moffen en stola’s die gemerkt zijn met het CHANEL logo. De moderne synthetische bontsoorten bieden de dragers en ontwerpers een moreel alternatief. Helaas blijkt het vervaardigen van deze pluizige stoffen, die afhankelijk zijn van een chemisch proces, zeer vervuilend voor het milieu.

Lynx, ca. 1984. Foto: David Bailey
Lynx, ca. 1984. Foto: David Bailey
Literatuur en bronnen

Tentoonstelling

Dit blog is ook te lezen op Modemuze.