Naarmate er in de tweede helft van de 19de eeuw meer kinderen in fabrieken gingen werken, groeide de weerstand tegen kinderarbeid. De werkomstandigheden in de fabrieken waren beroerd en vaak gevaarlijk. Bovendien maakten kinderen er lange dagen: ze werkten soms wel twaalf uur achter elkaar (net als de volwassenen). Er waren ook kinderen die nachtdiensten draaiden. Een fabrieksbaas uit Maastricht verdedigde dat laatste door te zeggen dat hij zelf als student ook wel eens een nachtje had doorgehaald. Hij zag het probleem niet zo.
Anderen zagen gelukkig wel bezwaren. Ze betoogden dat kinderarbeid slecht was voor de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van kinderen. Werkende kinderen boden op korte termijn wel een oplossing voor armoede, maar op de lange termijn had de hele bevolking meer belang bij kinderen die langer naar school gingen. Hoe hoger de opleiding, hoe meer kans op een goede baan later en hoe meer kans om de armoede structureel tegen te gaan.
In 1874 kwam eindelijk het historische ‘Kinderwetje’ van minister Samuel van Houten. Voortaan was kinderarbeid onder de 12 jaar verboden. Dat gold alleen voor fabriekswerk; het duurde nog tot 1901 voor álle kinderen onder de 12 verplicht naar school moesten.

Lewis Hine, Kinderarbeid in een glasfabriek in Indiana (VS), 1908. Collectie Library of Congress.

Kom meer te weten over deze kwesties in het dilemmaspel in de tentoonstelling.