Gezicht op Amsterdam vanaf het IJ, 1829-1852, N.M. Wijdoogen, Collectie Amsterdam Museum

Een ommuurde stad

Een weidse blik over de stad en het omliggende land, dat is ook precies wat het bestuur van Amsterdam met de eerste torens in de stad voor ogen heeft gehad. Aan het einde van de vijftiende eeuw wordt de stad omringd door een metershoge muur om te stad beter te kunnen verdedigen tegen aanvallen van buitenaf. Behalve de drie poorten die toegang bieden tot te stad telt de muur ook een aantal torens van waaruit men een oogje in het zeil kan houden.  

Schreierstoren, 19de eeuw, Willem Koekkoek, Collectie onbekend

De Schreierstoren

Als er in Amsterdam één toren tot de verbeelding spreekt dan is het wel de Schreierstoren op de kop van de Prins Hendrik- en Geldersekade. De bakstenen toren wordt rond 1486 gebouwd en vormt als onderdeel van de stadsmuur het eindpunt aan het IJ. Het is de eerste verdedigingstoren die de stad rijk is. Vanuit de deze positie heeft men goed zicht op de haven en over het IJ en kan men zo nodig vijandelijke schepen onder vuur nemen.

Gevelsteen 'Scrayer-Houck', 1569, Prins Hendrikkade, Fotograaf onbekend

De naamgeving 

In de loop er der eeuwen worden er talloze legenden in omloop gebracht. Ze hebben niet zonder toeval allemaal met de zee te maken. Maar hoe sterk zijn deze verhalen? Een in 1569 in de toren ingemetselde steen aan de Prins  Hendrikkade is een grote bron van inspiratie. Deze gevelsteen toont een schreiende vrouw, tegen de achtergrond van het IJ met een uitvarend schip. Het opschrift luidt: 'Scrayer Houck'.

Het jaar 1569 is een rampjaar voor Amsterdam. De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) is amper begonnen en het duurt nog wel even voordat Amsterdam zich aansluit bij de Opstand. De vloot wordt buitgemaakt door de Watergeuzen en Alva dreigt de Tiende Penning in te voeren op de handel in roerende goederen. Een drastische maatregel. De treurende vrouw draagt een klassiek gewaad. Zij is derhalve geen doorsnee Amsterdamse huisvrouw maar een op de klassieke oudheid geïnspireerde allegorie. Het schip waar de vrouw met haar ogen vol tranen naar wijst, symboliseert de koopvaardij, de basis van de Amsterdamse welvaart. De woeste golven en de zeemonsters staan voor gevaar en tegenspoed. De Amsterdamse stedenmaagd huilt.

Een bron die niet opdroogt

En zij is niet de enige. Menigeen wordt door de schreiende maagd op het verkeerde been gezet. Vele gidsen borduren voort op dit thema. Zij spreken en schrijven over de vrouwen die snikkend langs de kade staan om afscheid te nemen van hun zeevarende mannen die voor de VOC naar Indië reizen. Een gevaarlijke onderneming. Voor hun terugkeer wordt steevast gevreesd. Zeeën van zilte tranen vloeien bij het afscheid.

Het woord 'scrayer' in 'Scrayer Houck' prikkelt eveneens de fantasie. Het wordt gelezen als het werkwoord 'schreien' dat in vroegere tijden als 'schrayen' werd geschreven. Gedacht wordt dat dit  een bewust door de steenhouwer aangebrachte woordspeling is. Een krankzinnig geworden vrouw wordt de verpersoonlijking van de steen en geeft de doorslag bij de naamgeving van deze hoek én de 'Schreiers'toren. Lang nadat het schip van haar man een vlekje aan de horizon is geworden, blijft ze aan de kade staan. Tranen biggelen onophoudelijk langs haar wangen en ze gedraagt zich alsof ze krankzinnig is geworden. Ze slaat iedereen die haar troosten wil, wild van zich af, slaakt ijselijke kreten uit en trekt zich de haren uit het hoofd. Een klassiek geval van hysterie. De arme ziel eindigt in het Dolhuys. En naar nu blijkt: het verhaal kan twee kanten op. Voor sommige gidsen is dit juist de reden om aan te nemen dat de gevelsteen ter nagedachtenis aan deze vrouw is aangebracht.

Er is ook een uitzondering op al deze verhalen. Volgens de overlevering plengt één vrouw bittere tranen om de nooit verwachte terugkeer van haar echtgenoot. Tijdens zijn afwezigheid heeft zij haar oog op een ander laten vallen. Volgens een overenthousiaste gids, schenkt zij hem thee en hij haar kinderen. Hoe pijnlijk is de terugkeer van de man des huizes. Immers, twee kapiteins op één schip, dat gaat niet samen!

Gezicht op Amsterdam in Vogelvlucht, 1538, Cornelis Anthonisz., Collectie Amsterdam Museum

De Schrayershoucktoren

Hoe dan ook, er zijn ongetwijfeld veel tranen geplengd daar aan het waterfront, maar aan de naamgeving van de toren daar is niets romantisch of poëtisch aan. De Vogelvluchtkaart van Cornelis Anthonisz. uit 1538 brengt uitkomst. De oudste benaming van de grond waarop de toren staat is 'Schreyhouck' of 'Scrayhouck'. Op dit driehoekige terrein stond een huis dat naar de hoek vernoemd is. Deze naam gaat na verloop van tijd over op de toren, de 'Schrayershoucktoren'. De stadsmuur maakt op deze plek een scherpe bocht. 'Scray' betekent dan ook niets anders dan 'scherp'. De Schreierstoren dankt zijn naam, zoals menig stompe of scheve toren aan zijn positie, de 'scherpe' hoektoren.

Het vervolg

Na verloop van tijd verliest de toren zijn verdedigende functie. Tot 1835 vergadert het tinnengietersgilde in de Schreierstoren. Vervolgens doet het pand nog geruime tijd dienst als havenkantoor totdat in 1960 de havenmeester zijn domicilie kiest in het Nieuwe Havengebouw aan de De Ruyterkade. In 1966 wordt het monument grondig gerestaureerd.

Nu functioneert het enige overblijfsel van de Amsterdamse stadsmuur, als een horecagelegenheid met de toepasselijke naam VOC-café. Boven in de het pand bevindt zich een winkel in scheepsinstrumenten, zeekaarten en nautische literatuur. Zo blijft de toren trouw aan het verleden.

Moraal van dit verhaal. Als je binnenkort te stad verkent, kijk dan goed uit met wie je in zee gaat. De goede gidsen daargelaten, is wat je hoort of ziet soms werkelijk om te huilen!

 

 Klik hier voor meer informatie over De Open Toren Dag.