Uitgangspunt was de vraag waarover Johan Huizinga op nog steeds inspirerende manier geschreven heeft: zijn voorwerpen op te delen in twee categorieën, voorwerpen van kunst waarvan je kunt genieten en historische voorwerpen waarvan je kunt leren? Dagvoorzitter Hester Dibbits, lector aan de Reinwardt Academie, was nieuwsgierig naar de keuzes die het Rijksmuseum gemaakt heeft in het streven naar een opstelling waar objecten van kunst en objecten van geschiedenis niet meer gescheiden zijn zoals sinds 1920 het geval was. Welke verhalen of welk verhaal wil het RM vertellen? Op welke manier wordt de context van de objecten duidelijk gemaakt aan de bezoekers? En hoe bereik je een evenwicht tussen kennis en emotie?

Historische sensatie

Hendrik Henrichs, docent Publieksgeschiedenis van de Universiteit Utrecht, haalde eerst Huizinga zelf erbij. De historische sensatie is de bekoring van het echte. In de eerste plaats gaat het om een gevoel, kennis komt op de tweede plaats. Huizinga ervoer dit gevoel van direct contact met het verleden niet bij grote schilders, maar juist bij prozaïsche objecten als de prent over een verhuisdag in april van Jan van de Velde. De historische sensatie die Henrichs zelf had ervaren in het Rijksmuseum trad ook bij hem op toen hij keek naar tamelijk onooglijke voorwerpen, namelijk de mutsjes van walvisvaarders die waren gestrand op Spitsbergen.
Henrichs benadrukte het belang van de kwaliteit van de ‘dialoog’ tussen bezoeker, object en informatie, zoals tekstbord of gids. Hij vermoedde dat Huizinga zo rekkelijk zou zijn dat hij ook bij de kwalitatief hoogstaande digitale reproducties van nu een historische sensatie zou kunnen ervaren. Wat dat betreft is het jammer dat de prent van Van de Velde nog niet te zien is in de Rijksstudio op het web.
Henrichs vermoedt dat sinds de jaren negentig van de 20ste eeuw met de ‘experiential turn’ wel een verandering opgetreden is in het fenomeen historische sensatie. Het gaat nu vooral om beleven en een replica kan dan ook voldoen. Ik kan dat uit mijn eigen museumpraktijk beamen. Bezoekers van de tentoonstelling over prostitutie waren zichtbaar onder de indruk van een (op basis van een foto van Cor Jaring) nagebouwde peeskamer waar ze, zittend op een bed, konden luisteren naar het verhaal van Henriette over het leven op de Wallen in de jaren vijftig en zestig. Meer dan bij een schilderij van enkele prostituees. Hendrichs’ opvattingen over de kwaliteit van de dialoog zijn intrigerend. Het vermogen om een historische sensatie te beleven vraagt inlevingsvermogen en verbeeldingskracht van de bezoeker. Het impliceert dat de bagage aan kennis en ervaringen waarmee mensen naar het museum komen medebepalend is voor wat ze voelen, oog in oog met de objecten van kunst en geschiedenis. Een mooi voorbeeld hiervan werd me ooit verteld door Beppe Costa. Hij bracht, toen hij net vanuit Italië naar Amsterdam was gekomen, vaak een bezoek aan het Amsterdams Historisch Museum. Het model van de scheepskameel, die schepen over de ondiepte bij Pampus hielp, deed hem beseffen: “Zo zijn de Nederlanders. Ze bedenken een oplossing, die technisch slim, maar ook mooi is.’

Model van een scheepskameel met een Amsterdamse Oostindiëvaarder

Het zou goed zijn als de Nederlandse publiekshistorici eens onderzoek gaan doen naar de historische sensatie van museumbezoekers. Regelmatig worden museummensen ondervraagd door studenten publieksgeschiedenis over wat ze beogen bij bepaalde presentaties, maar veel interessanter is hoe deze door uiteenlopende individuele bezoekers ervaren worden en bij welke voorwerpen zij een rechtstreeks contact met het verleden voelen.

Kruisbestuiving

Decennia lang beschouwde het Rijksmuseum historische voorwerpen als stoorzenders bij het genieten van kunst. Zij dienden te worden gescheiden van de kunstcollecties. Het Rijksmuseum, waar deze scheiding het meest rigoureus werd toegepast, heeft sinds de heropening kunst en geschiedenis samen met kunstnijverheid opnieuw bijeengebracht. Deze gemengde presentatie is chronologisch ingedeeld in grote historische perioden. Eric Jan Sluijter, emeritus hoogleraar Kunstgeschiedenis van de Nieuwere Tijd, was in het geheel niet overtuigd van deze kruisbestuiving van kunst en geschiedenis. Hij observeerde de bezoekers van het Rijksmuseum en constateerde dat zij, na een aandachtige rondgang door de eregalerij, snel en oppervlakkig de ‘gemengde zalen’ bekeken. Ook voor het Amsterdam Museum had hij geen goed woord over. In zijn powerpoint toonde hij alleen de rode informatiewand – ‘een uitvergrote toeristenfolder’ - en niet de dialoog die het museum in Amsterdam DNA op gang probeert te krijgen door beelden van voorwerpen in hun context te laten zien. Daar is wel onderzoek naar gedaan. Het werkt. Mensen kijken aandachtiger naar een middeleeuws schoentje als ze het eerst - in context – in een filmpje gezien hebben.

Publiek als uitgangspunt

Het opnieuw ingerichte Fries Museum heeft niet alleen kunst en geschiedenis, maar ook de tijden gemengd. Saskia Bak, directeur Fries Museum en Princessehof in Leeuwarden, vertelde dat zij en haar medewerkers bij de nieuwe opstelling begonnen zijn met het nadenken over de rol die zij in de Friese samenleving hebben. Ze onderzochten met welk beeld, met welke bagage de bezoekers naar het museum kwamen. Ze zochten naar combinaties van erfgoed, dat mensen willen begrijpen, en hedendaagse kunst, die vragen oproept.

Usual suspects

James Kennedy, hoogleraar Nederlandse Geschiedenis, boog zich over de vraag of de Nederlandse geschiedenis in het Rijksmuseum nu voldoende vertegenwoordigd is. Een collega in de redactie van de BMGN merkte op dat de geschiedenis in het Rijksmuseum nu een hulpwetenschap is. Kennedy prees de website, die meer mogelijkheden biedt tot contextualisering dan de museale opstelling zelf, maar had daar ook wel vragen bij: waarom begint de tijdlijn in 1506? Het gaat wel erg veel over the usual suspects. De ‘historische personen’ zijn allemaal witte mannen, behalve Wilhelmina en Beatrix. Er wordt, zowel op de website als in het museum, weinig geproblematiseerd. Dat geldt bijvoorbeeld voor de afdeling koloniale geschiedenis. Zou dat niet een wat meer meerstemmige geschiedenis moeten zijn? Cruciale conflicten komen te weinig uit de verf. Dan zou je andere vragen moeten stellen, zoals bijvoorbeeld het nieuwe Deens Museum doet: hoe is de macht veranderd?
Kennedy betwijfelt of een chronologische opstelling wel hetzelfde is als ‘een verhaal vertellen’ en haalt autofrabrikant Henry Ford aan die over geschiedenis zei: ‘One damn thing after another’. Misschien zijn er wel te weinig kleine verhaaltjes in het Rijksmuseum. Als positief voorbeeld noemt hij in dat opzicht het Smithsonian in Washington. Hij staat ook nog even stil bij de bezoekers, die niet meer, zoals het merendeel van de mensen in de zaal, tot de generaties behoren die geleerd hebben door middel van een kop-romp-staart verhaal, maar die swipend door het leven gaan. In de discussie zei Gijs van der Ham van het Rijksmuseum hierover: ‘We hebben wel een verhaal, maar we proberen vooral een beeld te geven’.

Orde en chaos

Tot slot kwam Ad de Jong zelf aan het woord. Hij heeft een groep studenten onderzoek laten doen naar musea, die een collectie hebben die zowel uit kunst als uit historische objecten bestaat. Volgens de onderzoeker wint in het Amsterdam Museum de geschiedenis het soms van de kunst. Als voorbeeld noemde hij het schilderij van Breitner (Bouwterrein met paard), dat in Amsterdam DNA wordt gebruikt om het verhaal te illustreren van de stadsuitbreiding. Het komt volgens De Jong niet tot zijn recht als op zich staand kunstwerk.
Vaker was de kritiek omgekeerd. Zoals op het vernieuwde Rijksmuseum. Ook volgens De Jong heeft de kunst het duidelijk gewonnen van de geschiedenis. Niet dat dat per se erg hoeft te zijn, maar De Jong deed wel een klemmende oproep – aan het Rijks, maar ook aan andere musea met een gemengde collectie: maak de bezoeker duidelijk wat hem of haar te wachten staat. Dus als de kunst voorop staat in de presentatie, laat dat dan ook weten. Of als de geschiedenis het belangrijkste is, dan geldt precies hetzelfde.
Ad de Jong verbaasde zich over de rol die moderne kunstenaars de laatste jaren in sommige musea spelen als tijdelijk tentoonstellingsmaker. ‘Een traditionele taak van musea is het scheppen van orde in de chaos. Soms lijkt het of musea via moderne kunstenaars opzettelijk chaos in de orde scheppen.’
De ‘arrogante’ kunsthistorici en ‘stoffige’ historici vlogen elkaar niet echt in de haren. In de dagelijkse praktijk van het museum werken we juist heel goed samen. Zo’n middag nadenken over de essentiële vragen van ons vak is heel nuttig. Via deze blog delen we dat graag met anderen.

Reacties zijn welkom

Hier vind je Zou Huizinga tevreden zijn? Kunst en geschiedenis in één museale presentatie: kruisbestuiving of stoorzender?, de publicatie die hoort bij het afscheidssymposium van Ad de Jong op 14 februari 2014.