In 2013 woonde ik in Moengo een dansrepetitie bij van een groep meisjes. De jongens drumden. Tresna Pinas had de dansen en liedjes van oudere vrouwen geleerd en gaf ze zo weer door aan de volgende generatie. Ze gingen onder andere over de boten waarmee haar voorouders uit Afrika waren gehaald en over de strijd van de Marrons. Opeens voelde dat verleden heel dichtbij.

Vermaak en spot

Toen Marlon Madasrip me rondleidde door Fort Nieuw Amsterdam zong hij ook een liedje: peroen peroen mi patron. Dit lied stamt ook uit de slaventijd.  Een slaaf stelt zijn Hollandse  patron gerust; hij hoeft niet te vrezen voor aanvallen van de Engelsen. Dit is de uitvoering van de Surinam Golden Gate Boys. De zang van slaven was soms vermaak, dat de arbeid moest helpen verlichten, maar de liederen bevatten ook vaak verborgen, maar bijtende kritiek en spot op de meesters, zoals te lezen valt in het mooie artikel van Alex van Stripriaan. 

Zintuigen

Bij de vernieuwing van Fort Nieuw Amsterdam moeten de zintuigen een belangrijk uitgangspunt zijn. Niet alleen kijken, zoals meestal in musea, maar ook voelen, horen en ruiken.  Ik vertelde aan Riemer Knoop van de Reinwardt academie dat het me mooi leek om liedjes een rol te laten spelen bij het ervaren van het Openluchtmuseum. Ik fantaseerde hardop hoe schoolkinderen zouden zingen en aan (Nederlandse) toeristen zouden vertellen waar de liedjes over gingen. ‘Dat is appropiate museology’ zei Riemer en verwees me naar een artikel van Christina Kreps.

In het Nederlands zou je dit begrip vertalen als passende, doelmatige of eigen museologie. Kreps definieert het als een poging om professionele museumpraktijken en technologieën beter aan te laten sluiten op de plaatselijke culturele context en sociaal-economische condities. ‘Westerse’ museumpraktijken moeten niet het museologische equivalent zijn van de dure waterpomp, die na een paar jaar niet meer werkt, omdat niemand hem kan repareren. In Villa Zapakara waar de tentoonstellingen van Tropenmuseum Junior heengaan, worden bijvoorbeeld geavanceerde ICT-toepassingen uit het Tropenmuseum low tech gemaakt om minder storingsgevoelig te zijn.

Joney Doekoe in het Samaaka Museum, 2015. foto Annemarie de Wildt
Interactieve technologie heeft musea veel moois gebracht. Joney Doekoe van het Samaaka museum in Pikin Slee was bij haar bezoek aan Nederland in 2014 zeer onder de indruk van het Amsterdam Museum. Toen ik bij haar op bezoek was beschreef ze ons museum als ´dat museum waar je op een knop drukt om de verhalen te horen´. Maar dan moet er ook wel personeel zijn om als er wat stuk gaat, zo snel mogelijk in actie te komen of zelfs onderdelen te vervangen. Het Samaaka museum is een mooi voorbeeld van een museum dat aansluit op de plaatselijke culturele context.

Natuurlijk gaan we ook kijken naar de mogelijkheden om met moderne manieren het verhaal van Fort Nieuw Amsterdam te vertellen, maar we kijken ook naar de behoefte eraan en naar mogelijke technische problemen en hoe die op te lossen. Maar we gaan ook op zoek naar low tech vormen van het overdragen van de verhalen van het Openluchtmuseum.

Appropriate museology

Met appropriate museology bedoelt Krebs ook de eigen (museale) tradities van de plaatselijke bevolking en manieren waarop het (immaterieel) cultureel erfgoed bewaard en beschermd wordt. Een mooi voorbeeld is hoe Christine van Russel-Henar van het Koto museum tijdens een cursus Behoud en Beheer die in 2010-2012 gegeven werd voor Surinaamse museummedewerkers, onderzoek deed naar de conserverende werking van meel van bittere cassave. Dat wordt traditioneel gebruikt om de stof van angisa’s op te stijven. 

Het bleek ook een insectenwerende werking te hebben, heel belangrijk in het Surinaams klimaat en heel wat praktischer dan een peperdure zuurstofarme ruimte, zoals we die in het Amsterdam Museum hebben. Appropriate museology kan ook betrekking hebben op orale tradities, religieuze gebruiken en kennis over de verhouding tussen mensen en de natuur.  Het onderzoek van studenten van de Anton de Kom universiteit naar de moestuinen van de Javaanse en Hindoestaanse gemeenschappen is daar een voorbeeld van. Binnenkort zullen er rond de kamponghuizen in het Openluchtmuseum tuinen komen, waar bezoekers kunnen zien, ruiken en misschien zelfs proeven hoe hun voorouders zo gezond en smakelijk mogelijk overleefden.

Carmen en Regina tijdens Keti Koti 2013. Lees het verhaal op http://hart.amsterdammuseum.nl/nl/page/28601

Nu ik dit mooie begrip ken, realiseer ik me dat je het project Keti Koti Krosi dat het Amsterdam Museum in 2013 deed tijdens in het Oosterpark ook Appropriate museology zou kunnen noemen. We fotografeerden vrouwen en mannen en vroeger hen naar de betekenis die deze kleding voor hen had. Dat leidde tot mooie foto’s en indrukwekkende verhalen waarin de (herinnering aan) slavernij  vaak een rol speelde.

Tips en suggesties zijn welkom.

bronnen

Christina F. Kreps, ‘Appropriate museology in theory and practice’, in Museum Management and Curatorship. Vol. 23, No. 1, March 2008, 23-41

Alex van Stipriaan, ‘“Een verre verwijderd trommelen...” Ontwikkeling van Afro-Surinaamse muziek en dans in de slavernij’, in: Ton Bevers, Antoon Van den Braembussche en Berend Jan Langenberg (red.), De Kunstwereld. Produktie, distributie en receptie in de wereld van kunst en cultuur. Hilversum 1993, p. 143-173.  Ook online te lezen