Dirk Valkenburg (1675-1718), De plantage Waterlant, ca. 1706-’08. Amsterdam Museum, inv. nr. SA 35413

Het ontstaan van het schilderij en de zichtbare en onzichtbare werkelijkheid

Eind februari 1706 kwamen Jonas Witsen en Dirk Valkenburg met elkaar overeen dat de laatste in opdracht van de eerste naar Suriname zou vertrekken om daar te dienen als “boekhouder of schrijver en constschilder” op één van de drie plantages die Witsen in Suriname bezat. Als schilder moest hij “de Plantagien alle drie naer ’t leven als andere raare vogels en gewassen […] uitschilderen.” Het schilderij in het Amsterdam Museum is één van de schilderijen die Valkenburg daar maakte, in 2008 heeft collega Norbert Middelkoop overtuigend vastgesteld dat het hier om plantage Waterlant gaat, een grote plantage in een bocht van de Surinamerivier.  
Op het schilderij is een gezicht op de rivier te zien, met aan de overkant de gebouwen van plantage Waterlant. Rechts is het huis van de plantagedirecteur te zien, links de grote suikermolen, met daarachter het distilleerhuis en daar weer achter het verblijf van de tot slaaf gemaakten op de plantage. Op het water varen een korjaal met inheemsen en een tentkorjaal, met een Nederlandse vlag en vier zwarte roeiers. Ook links op de rivier bevinden zich nog twee vaartuigen met mensen van Afrikaanse afkomst.  Het schilderij geeft een bijna idyllische kijk op de plantage en zal daarmee ongetwijfeld aan de wens van de opdrachtgever, plantage-eigenaar Jonas Witsen, tegemoet zijn gekomen, die een beeld van zijn bezittingen wenste. De harde realiteit van de dwangarbeiders bleef buiten beeld.

Dirk Valkenburg (1675-1718), De suikermolen en andere gebouwen, waaronder een verblijf voor tot slaaf gemaakten op plantage Waterlant, ca. 1706-’08. Rijksmuseum Amsterdam, Inv. nr. RP-T-1905-103

45 jaar museumteksten

Wat op het schilderij buiten beeld bleef, bleef ook in tekst lang onaangeroerd. Toen het schilderij in 1973 gekocht werd, kwam in het persbericht slavernij niet voor. De redenen voor aankoop van het schilderij kwamen akelig dichtbij de intenties van Jonas Witsen, het schilderij gaf een goed beeld van Amsterdamse activiteiten in Suriname aan het begin van de 18e eeuw, zo was de gedachte. Dat een deel van die activiteiten op het schilderij juist niet te zien was kwam in de tekst niet voor en ontbrak lang ook in zaalteksten. Pas in recentere jaren wordt er aandacht besteed aan het leed dat op het schilderij onzichtbaar blijft. In het slavernijspoor bij de tentoonstelling Gouden Eeuw in 2013 verwoordde kunstenares Iris Kensmil het zo: "Het ziet er zo lieflijk uit, maar juist daarom denk ik meteen aan wat je níet ziet: de slavenverblijven, de wrede straffen en de weglopers die achtervolgd werden." En toen het schilderij vorig jaar Canon van Nederland-topstuk werd in het venster van Slavernij werd juist het niet-zichtbare op het schilderij benadrukt in de tekst.  Toch bleven de mogelijkheden beperkt omdat de feitelijke kennis rond het schilderij beperkt bleef tot het perspectief van schilder en plantage-eigenaar. Voor de bijeenkomst van 22 november stelde ik me daarom tot doel om te proberen andere feiten rond de plantage naar boven te halen. Het beperkte onderzoek (in het Stadsarchief in Amsterdam) leverde een keur aan gegevens op die geen onderdeel waren van de documentatie van het schilderij, waardoor we die verhalen dus ook nooit hebben verteld, terwijl ze wat we op het schilderij zien – of feitelijk niet zien – in een veel rijkere context plaatsen.

New Narratives rond plantage Waterlant

Het begint toch weer met Jonas Witsen, want ik wilde weten hoe hij eigenlijk aan zijn plantages was gekomen. Hij erfde ze van zijn eerste vrouw Elisabeth Basseliers, met wie hij trouwde in 1701, maar die in 1702 in het kraambed overleed. Zij had de plantages op haar beurt in 1699 geërfd van haar oom Joan van Scharphuysen, die van 1689-1696 gouverneur van Suriname was geweest. Van deze Van Scharphuysen is in het Stadsarchief het testament terug te vinden waarin hij inderdaad de plantages die later van Jonas Witsen zijn worden nagelaten aan Elisabeth Basseliers. In het kader van het zoeken naar andere blikken op het schilderij is  een aantal bepalingen rond de plantages en de daar werkende tot slaaf gemaakten echter veel interessanter. Ze bieden een beeld waarin de vermoedens van de harde realiteit bevestigd worden, maar ook genuanceerd. Ze bieden stof tot nadenken en aanknopingspunten om na te denken welke rijkdom aan verhalen je rond een object als dit schilderij kunt vertellen.

Ten eerste is er de volgende bepaling in het testament van Van Scharphuysen: “[…] aen mijn getrouwe Jonge Trawatte sijn vrijheit en Verlossinge van alle slavernije, daar en boven twee hondert guldens jaars tot sijn onderhout.” Blijkbaar heeft Van Scharphuysen een jongeman meegenomen naar Amsterdam vanuit Suriname, die hij na zijn dood de vrijheid schenkt. Er wordt vaak beweerd dat slavernij verboden was in de Republiek, maar deze Trawatte was vóór de dood van van Scharphuysen dus niet vrij, hoewel hij wel degelijk in Amsterdam woonde. Op 24 november 1705 wordt “een jonghman, Karwatte van Ornak” begraven in de Nieuwezijds Kapel (op een steenworp van ons museum) vanuit het huis van Jonas Witsen op de Keizersgracht 674. Ondanks de variatie in de voornaam kan dat niet anders dan de zelfde jongeman zijn geweest, die dus helaas maar kort van zijn vrijheid heeft kunnen genieten. Blijkbaar was deze jongeman -hoewel vrij- wel bij Elisabeth Basseliers gaan wonen na de dood van Van Scharphuysen en was hij na haar dood bij Jonas Witsen in huis gebleven.

In dit kapitale grachtenpand aan de Keizersgracht woonde plantageigenaar Jonas Witsen, maar ook Trawatte of Karwatte, die met Joan van Scharphuysen uit Suriname was gekomen en door die laatste was vrijgelaten uit slavernij in zijn testament.

Aan het eind van het testament wordt het weer interessant als Van Scharphuysen een aantal bepalingen over zijn plantages in Suriname laat opnemen. Eerst geeft hij aan dat hij wil dat de werkweek voor zijn tot slaaf gemaakten niet 6, maar 5 dagen is. In de twee vrije dagen mogen ze doen wat ze willen en eventueel op die dagen verdiend geld of goederen zelf houden.  Verder laat hij  aan een aantal van hen, zijn “oude en trouwe slaven en slavinnen” geld na, namelijk aan Marq, de eerste officier en zijn vrouw, de voormalige kok Cacoe en zijn vrouw, James de Opperkuiper en zijn vrouw, Jacob de Oppertimmerman en zijn vrouw, maar ook Hanna (die bij hem in huis geboren was en dochter van een inheemse man en een zwarte vrouw) en Ackan de Houtkanter. Allen kregen 100 gulden, een fors bedrag. Nog opmerkelijker is dat Van Scharphuysen wilde dat zij  “over begaane feylen niet als ordinaris slaven gestraft, opgebonden of gegeeselt sullen werden, maar int straffen getracteert als vrije, loon treckende Christenen.” Het milder straffen van deze mensen brengt gelijk naar voren dat alle andere tot slaaf gemaakten wel zo werden gestraft en dat Van Scharphuysen niet van zins was die straffen voor iedereen af te schaffen, of wie dan ook de vrijheid te verlenen zoals hij wel met Trawatte had gedaan. Cynischer wordt het nog als Van Scharphuysen daarna bepaalt dat Arthur, die officier is op plantage Waterlant wel de 100 gulden erft, maar niet de mildheid van straffen.

Folio uit het testament van Joan van Scharphuysen, met bepalingen over de tot slaaf gemaakten op zijn plantages

Zodra Witsen eigenaar is van de plantage in 1701 geeft hij opdracht bij de WIC om twaalf Afrikanen te verschepen naar Suriname. In 1707 draait hij de bepaling van de vijfdaagse werkweek terug, hetgeen leidt tot een opstand op de plantages die met grof geweld door soldaten de kop wordt ingedrukt. Juist in die jaren schildert Valkenburg het zo vredig ogende tropische landschap met de plantage dat zich in de collectie van het Amsterdam Museum bevind.

Van losse feiten naar verhaal, maar wiens verhaal?

Een gemiddeld tekstbordje in het museum bevat 60 woorden, ruim te weinig om al het bovenstaande in op te kunnen nemen. Hoe selecteer je dan, en misschien wel even belangrijk: wie selecteert? In de bijeenkomst op 22 november gaf ik aan dat ik bij het lezen van bovenstaande bepalingen in het testament vooral met de vraag bleef zitten: hoe werkt dat nou in het hoofd van zo’n plantage-eigenaar? Het komt op mij bijzonder verwrongen over hoe je de een vrijlaat, de ander geld geeft, de ander minder streng straft of een kortere werkweek voorstelt. Dat suggereert op zijn minst een besef dat slavernij een onmenselijke staat is die je zou kunnen verlichten als eigenaar, maar hij springt er willekeurig mee om. Tegelijkertijd besef ik dat het heel goed zou kunnen dat mijn interesse van die kant van het verhaal best eens voort zou kunnen komen uit het feit dat ik zelf een witte man ben en misschien daardoor geneigd ben die kant van het verhaal – de eurocentrische kant – op te zoeken. Een collega zei vooral geïnteresseerd te zijn in dat er blijkbaar iets van een gezinsleven mogelijk was (de genoemde mannen die net als hun niet bij naam genoemde vrouwen geld erfden), een ander zal weer vooral geïnteresseerd zijn in de in Amsterdam vrijgelaten jonge Trawatte. Het is een uitdaging voor het museum waar niet direct een pasklare oplossing voor is. Te meer omdat de verhalen over Trawatte, Marq, Cacoe, James en Jacob en hun vrouwen, Hanna, Ackan en Arthur in de eerste 45 jaar dat dit schilderij in onze collectie bevond nog niet verteld zijn. Het wordt dus wel tijd.     

Bronnen

- Testament Joan van Scharphuijsen:
Stadsarchief Amsterdam, inv. nr. 5075, Notarissen ter Standplaats Amsterdam, nr. 140, Hendrick Outgers, Minuten van 'Secreete actens', nr. 3377, 15 september 1699 (nr. 69).

- Kopen van tot slaaf gemaakten door Jonas Witsen:
Stadsarchief Amsterdam, inv. nr. 5075, Notarissen ter Standplaats Amsterdam, nr. 190 Stephanus Pelgrom, Minuutacten, nr. 4775, 8 augustus 1701, f. 201

- Begrafenis Karwatte van Ornak:
Stadsarchief Amsterdam, DTB 1070, Begraafregisters van de Nieuwezijds Kapel, 24 November 1605, f. 56vo