Het rechtse schilderij van het drieluik is een fictief portret van granman Fabi Labi Dikan, de belangrijkste man van de Dikan. Hij was de eerste die op 10 oktober 1760 een verdrag sloot tussen zijn stam en de Nederlandse overheid.  De Dikan horen bij de Ndyuka (vroeger ook Aukaners of Okanisi genoemd), een van de marrongemeenschappen in Suriname. Vanaf het begin van de slavernij vluchtten de tot slaaf gemaakten weg van de plantages. Vaak waren het mannen die gevangen waren genomen en verkocht in Afrika en die de zware overtocht hadden meegemaakt. In de achttiende eeuw liepen jaarlijkse zo’n 200 tot 300 slaven weg, meestal in kleine groepjes van twee of drie. Weglopen was niet zo moeilijk, maar overleven in het oerwoud was dat wel. Sonmigen keerden weer terug naar de plantages. De anderen vormden gemeenschappen in het binnenland. Ze overleefden door jacht en het verbouwen van groenten, zoals cassave. Ze dreven handel en wisselden kennis uit met inheemse stammen. In verschillende delen van Suriname vormden zich verschillende marrongroepen met een eigen taal.   

Loslopend vee

In de 18de eeuw werden de vluchtelingen door de kolonisten weglopers genoemd. Zelfs noemden ze zich businengee (bosneger), maar dat wordt nu als denigrerend ervaren. Boslandcreool wordt ook gebruikt, maar meestal marron, dat net als in de rest van het Caraïbisch gebied de aanduiding is van gevluchte slaven. Erg positief is het woord ook niet, want het is afgeleid van het spaanse woord cimarrón, de aanduiding voor ‘loslopend vee’. 

Van de slaven die waren achtergebleven op de plantage kregen de marrons soms gereedschappen en extra voedsel. Maar ze ondernamen ook rooftochten, waarbij ze ook vrijwillig of onvrijwillig vrouwen meenamen. Er waren veel minder vrouwen in de marrongemeenschappen, omdat veel meer mannen wegliepen. De planters en de overheid stuurden gewapende patrouilles naar de marrondorpen om mensen gevangen te nemen en hun kostgrondjes en hutten te verwoesten. Rond 1750 woonden er inmiddels rond de 3000 mensen in de ‘weglopersdorpen’ zoals ze vermeld staan op een kaart van Suriname. Gouverneur Jan Mauritius zag in dat hij, in navolging van Jamaica, misschien beter een verdrag zou kunnen sluiten met de marrons. Een van de Ndyuka kapiteins, Boston Band, was afkomstig uit Jamaica. Hij was, na verkoop aan een eigenaar in Suriname, gevlucht naar het binnenland. Boston was een van de weinigen die kon lezen en schrijven. Na overvallen op plantages liet hij brieven achter met een oproep om tot een vreedzame oplossing te komen.

Vrede

Na lange onderhandelingen werd op 10 oktober 1760 een vredesverdrag gesloten tussen Fabi Labi Dikan en de vertegenwoordigers van de Nederlandse gouverneur Wigbold Crommelin. De ‘bevredigde negers’ werden erkend als vrije mensen. Ze moesten het officiële gezag respecteren, maar mochten hun eigen rechtssysteem hebben. Wel moesten ze zich minstens 10 uur varen van de plantages vestigen. In ruil voor goederen moesten ze nieuwe weglopers uitleveren aan de Nederlandse overheid. Op de website Slavernij en jij  is meer te vinden over de gevolgen van de verdragen. Later werden er ook verdragen gesloten met andere groepen zoals de Saamaka. Andere Marrongroepen, zoals de Boni, bleven in oorlog met de koloniale overheid. De datum van 10 oktober wordt in Suriname jaarlijks  herdacht tijdens Marrondag, als herinnering aan het verdrag van 1760.

Iris Kensmil voor het drieluik Out of History, 2013. Foto Annemarie de Wildt

Iris Kensmil voor het drieluik Out of History, 2013. Foto Annemarie de Wildt

Waardigheidstekens

Ook van Fabi Labi Dikan is, net zo min als van Elisabeth Samson en Wilhelmina (van) Kelderman, een portret bekend. In de zesde bepaling van het verdrag werd iets gezegd over de waardigheidstekens van granman Fabi Labi Dikan. De Aukaners, zoals ze in het verdrag genoemd worden, moesten bij het overlijden van hun granman de overheid informeren over diens opvolger. Na de toestemming zou die de waardigheidstekens krijgen. Zo heeft Iris Kensmil de granman geschilderd, met het verdrag en een staf als teken van waardigheid in zijn handen.

  

Bronnen/meer informatie:

Frank Dragtenstein, De ondraaglijke stoutheid der wegloopers, 2002

Frank Dragtenstein, Alles voor de vrede. de brieven van Boston Band tussen 1757 en 1763, 2011

Alex van Stipriaan en Thomas Polime, De kunst van overleven, Marroncultuur uit Suriname, 2009

Kees Broere, Bij de Marrons in Suriname zijn de gevolgen van slavernij nog volop voelbaar, artikel in De Volkskrant 1 juli 2018 

Bronnen in het Stadsarchief: online

Andre R.M. Pakosie, Een Beknopt Overzicht van het Ontstaan van de Bosnegerstam, de Lo, de Bee, Mama(osoe) pikin of Wosoedendoe Paramaribo, 1976 online 

Bernardus P.C. Scholtens, Bosnegers en Overheid in Suriname, de ontwikkeling van de politieke verhouding 1651 – 1992, 1994 online