Casper Luyken, Maniere Van Doopen in 't eerste Christendom (1694)
Casper Luyken, Maniere Van Doopen in 't eerste Christendom (1694)

Bíjna de ideale schoonzoon
Cecilia werd in 1858 geboren als zesde dochter van Piet en Cato van Eeghen. Ze trouwde in 1882 met een leraar klassieke talen uit een Nederlands Hervormde familie: Jan Gunning. Hij was cum laude gepromoveerd en zou later de eerste hoogleraar pedagogiek van Nederland worden. De Gunningen waren welgesteld en algemeen gerespecteerd. Bovendien was Piet bevriend met Jan Willem Gunning, bekend chemicus en vader van Jan. Kortom, Jan Gunning was in allerlei opzichten een uitstekende partij.

Toch was er één bezwaar: hij was niet doopsgezind. Dat was niet ideaal voor een Van Eeghen, maar ook geen onoverkomelijk probleem. De kloof tussen de kleine groep van doopsgezinden en de meerderheid van Nederlands Hervormden werd steeds kleiner in de negentiende eeuw. Er waren natuurlijk belangrijke verschillen, maar beide stromingen waren in ieder geval protestants. Anders was het geweest als Cecilia met een katholieke of een Joodse jongen was thuisgekomen, maar zo recalcitrant was ze nu ook weer niet. 

Kleinkinderen
Het werd pas ingewikkeld met de geboorte van de kleinkinderen (zes in totaal). Ze werden op jonge leeftijd gedoopt, zoals gebruikelijk bij de Nederlands Hervormde Gunningen - maar geheel tegen de doopsgezinde traditie in.

Zou Cecilia er ruzie over hebben gemaakt met Jan, of wist ze al dat dit zou gebeuren op het moment dat ze zijn huwelijksaanzoek aanvaardde? Misschien had hij haar wel overtuigd dat het zo beter was. Haar vader dacht er in ieder geval anders over. In het privéarchief van de familie Gunning ligt een brief van Piet van Eeghen over de doop van hun eerste zoon, Jan Willem. Op 2 oktober 1885 schrijft Piet van Eeghen er een brief over. Niet aan zijn dochter maar aan zijn schoonzoon:

Waarde zoon Jan!
Ik ben u regt dankbaar voor uwe vriendelijke uitnoodiging om tegenwoordig te zijn bij de Doopplechtigheid van uwen zoon Willem, door zijn overgrootvader te voltrekken. Gedurende deze voor U en Cecilia zoo hoogst gewigtigen dag, zal ik met mijne gedachten zeker bij U zijn, en mijn gebeden zend ik op voor den jeugdigen Willem, dat hij eenmaal een waardig lid van de gemeente van Christus moge worden.

Gij kent mijn gevoelens aangaande den doop, door ernstig onderzoek der H. Schrift, bij mij bevestigd, en het zal U dus niet verwonderen, dat, hoewel ik vader en moeder het volle regt toeken, om met hun kind te handelen, zooals zij meenen dat behoorlijk is, ik moeijelijk eene plechtigheid, als waarvan hier sprake is, persoonlijk kan bijwonen.

Brief CP van Eeghen aan Jan Gunning 2 oktober 1885 p1
Brief CP van Eeghen aan Jan Gunning 2 oktober 1885 p1
Brief CP van Eeghen aan Jan Gunning 2 oktober 1885 p2
Brief CP van Eeghen aan Jan Gunning 2 oktober 1885 p2

Individuele keuze
Was het star van de oude Van Eeghen, om niet bij de doop van zijn kleinkinderen te willen zijn? Als niet-gelovige in de 21e eeuw vind ik het niet makkelijk om me in zijn positie te verplaatsen. Toch begrijp ik de brief wel. Doopsgezinden vinden dat ieder voor zich bewust moet kiezen voor het geloof, om er vervolgens in alle doen en laten naar te leven. Vandaar de doop op volwassen leeftijd na het afleggen van een geloofsbelijdenis. Het ware geloof kun je een ander niet opleggen, daar kies je voor.

Zo bezien is het nog een relatief milde brief. Zeker de zin waarin Piet de vader en moeder ‘het volle regt’ toekent om ‘met hun kind te handelen, zooals zij meenen dat behoorlijk is’. We weten natuurlijk niet hoeveel verhitte discussies of juist ijzige stiltes aan deze brief vooraf zijn gegaan. Maar ik denk dat het wel meevalt. Na deze passage volgt nog een kantje vol koetjes en kalfjes, waarin Van Eeghen onder andere schrijft dat hij zich erop verheugt de kleinkinderen snel weer te zien. Hij heeft zijn punt gemaakt.

Doopjurk en onderjurk 1880-1900 (collectie AM)
Doopjurk en onderjurk 1880-1900 (collectie AM)