Monument Van Speyk Burgerweeshuis
In de  hoek van de Jongensbinnenplaats, tegen de oude ingang van het vroegere jongenshuis, is een plaquette ingemetseld. Een geschiedenisboek aan de muur. Het gedenkteken is opgericht voor één van onze grote nationale helden die hier in 1813 als bedroefd weesjongetje schoorvoetend zijn eerste stappen over de drempel van het Burgerweeshuis zet.

Dat weesjongetje wordt op 31 januari 1802 als Jan Carel Josephus van Speyk in Amsterdam geboren als zoon van een koopman in stokvis. Al vroeg in zijn leven slaat het noodlot toe. Als Jan vier is overlijdt zijn vader, zes jaar later volgt zijn moeder. Onze nationale held in spe is nu wees. Hij wordt op 5 februari 1813 ingeschreven in het Burgerweeshuis. Hij ontpopt zich daar als alles behalve een voorbeeldig jongentje. Een vaatje buskruit? In 1815 gaat hij in de leer bij een kleermaker in de stad. En ook hier is Jantje niet lang houdbaar; hij zwerft van baas naar baas. Aangestoken door zijn oudere broer Adriaan en andere weesjongens meldt hij zich ten langen leste bij de Marine. Hij is klein van stuk en wordt tot zijn grote verdriet afgewezen. In 1820 lukt het hem wel. Hij monstert aan voor zijn zeedoop. Na slechts één expeditie keert hij terug naar een van zijn vroegere leermeesters. Maar de zee zit nu in zijn benen en een jaar later kiest hij opnieuw het ruime sop. Hij krijgt een aanstelling bij de Marine, waar hij het uiteindelijk schopt tot Luitenant  ter Zee der tweede klasse. De kleine Jan van Speyk krijgt het bevel over kanonneerboot no. 2.

Van Speyk in de kruitkamer van het schip, Jacobus Schoemaker Doyer, collectie Amsterdam Museum

Dan liever de lucht in net als Van Speyk

In 1830 komen de zuidelijke Nederlanden in opstand tegen het gezag van Koning Willem I. Zij willen zich afscheiden. Een onafhankelijk België ontstaat. Van Speyk raakt verzeild in deze strijd. Het is 5 februari 1831, een gure dag. Er staat een stormachtige wind. Jan ligt met zijn kleine kanonneerboot voor de haven van Antwerpen. Hij controleert er scheepsladingen op oorlogstuig waarop inbeslagname volgt. Door de wind slaat zijn voor anker liggende schip los. Het drijft naar vaste wal en wordt tegen de kademuur geworpen. Daar wacht hem een woedende menigte Antwerpenaren en militairen. De opstandelingen proberen aan boord te komen en de Nederlandse vlag te strijken.  Die actie schiet bij de vaderlandslievende Jan in het verkeerde keelgat. Hij verdwijnt in de kajuit en steekt daar een  brandend lont, mogelijk een sigaar, in een open kruitvat. Onder het uitspreken van zijn famous last words ‘dan liever de lucht in’, blaast hij zichzelf op. Hij voorkomt daarmee dat zijn schip in de handen van de Belgen valt. Vrijwel de gehele bemanning neemt hij mee in de dood; het aantal sneuvelende Antwerpenaren is en blijft onbekend. Enkele dagen later, op 9 februari, wordt hij uit de Schelde gevist. Althans wat er nog van Jan over is. Zijn hoofd en ledematen ontbreken. Zijn lichaam wordt geïdentificeerd aan de hand van het ridderkruis der 4de klasse van de Willemsorde, waarmee hij na een heldhaftig optreden bij een eerdere strijd gedecoreerd werd. Het prijkt fier op zijn borst. Zijn resten wordt op sterk water naar Amsterdam gestuurd. Jan draagt nu niet alleen een lintje maar ook de status van nationale held. Een jaar later, op 4 mei 1832, wordt hij bijgezet in de Nieuwe Kerk. Hieraan voorafgaand trekt een lange rouwstoet door de stad. De regenten van het Burgerweeshuis.

Jan van Speyk, 1831

Heldenverering

Zodra de rook is opgetrokken volgt  er opnieuw een explosie. Deze keer van vurige vaderlandsliefde. Jan wordt als nationale held vereerd en past nu in het rijtje Hein, Tromp en de Ruyter, zijn illustere voorgangers.  Zijn verering verspreid zich als een olievlek over het land. Tal van kunstenaars en musici vereren Van Speyk in hun werk, er worden lofdichten geschreven en gedenkpenningen geslagen. Er wordt bovendien een nationale loterij uitgeschreven om geld bijeen te brengen voor een monument. Als wat er nog aan de romp van onze held ontfutseld kan worden en alles wat met hem in aanraking is geweest wordt als ware relieken verkocht.

Gedenksteen voor Van Speyk, AM KA 10221

Gedenksteen

Van houtsplinters van de kanonneerboot tot plukjes haar en een rib; het Amsterdam Museum alleen al heeft 150 Van Speyk gerelateerde objecten in de  collectie. Het meest in het oog springend is de gedenksteen die ingemetseld is in de muur van het jongensweeshuis, de huidige entree van het museum. Stadsarchitect J. de Greef tekent voor het ontwerp, steenhouwer Chr. Sigault werkt het ontwerp uit. Bij het plaatsen van het  gedenkteken wordt niet enkel volstaan met het inmetselen van de steen; de zuilengalerij wordt ervoor verlengd. Er worden twee nieuwe zuilen geplaatst en de alzo ontstane ruimte wordt betegeld en van een nieuw hekwerk voorzien om zo het monument het nodige cachet te geven.

Onthulling monument Van Speyk

Op 20 oktober 1831 wordt de plaquette ten overstaan van een groot publiek door de regenten onthuld. De jongensplaats is grotendeels met een doek overspannen en feestelijk versierd. Voor 25 cent kan men in het weeshuis twee schilderijen bekijken.  Van Speyk die het brandende lont in het kruitvat steekt' van J. Schoenmaker Doyer en 'de ontploffing van de kanonneerboot no. 2' vervaardigd door Willem Pieneman. Het zat er al vroeg in, die museale bestemming

Kritiek

Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw wordt deze feestvreugde getemperd. Kritiek steekt de kop op. De heldenstatus van Van Speyk wankelt.  Zeehistoricus Ronald Prud’homme van Reine wint er in zijn in 2016 gepubliceerde Liever niet de lucht in geen doekjes om. Jan handelt tijdens een wapenstilstand. De rol van de militairen bij de bestorming van zijn kanonneerboot is te verwaarlozen. Er is daarom geen sprake van een levensbedreigende situatie en er is geen enkele reden om in te grijpen. Hij handelt impulsief. Zijn daad is van geen betekenis voor het verloop van de opstand. Er wordt gemakshalve aan voorbijgegaan dat 27 bemanningsleden en een onbekend aantal Belgen de dood vindt. Volgens Prud’homme is onze nationale held alles behalve een held: ‘Van Speyk was een tragische figuur die mede door zijn eenzame bestaan als weeskind langzaam in de richting van zelfmoord is gedreven. Door zijn daad bracht hij leiding van leger en marine in grote verlegenheid.

Er vielen vele doden en een kostbaar schip ging verloren en dat alles eigenlijk voor niets. Daarom is van de ramp in de propaganda een heldendaad gemaakt’. De Koninklijke Nederlandse Marine distantieert zich van de kwalificatie zelfmoordaanslag. ´Jan handelde defensief en niet offensief´. Volgens Prud’homme was het wel degelijk Jans bedoeling zoveel mogelijk Belgen in de dood mee te sleuren. (Brabants Dagblad, 1 oktober 2016)

‘Goed voorbeeld’ doet goed volgen?

Impulsief of niet, helemaal uit de lucht vallen komt Jans onbezonnen heldendaad niet. Zijn ‘laatste woorden’ spreekt hij eerder uit in een brief aan zijn nicht. Op 19 december 1830 schrijft hij haar:  ‘dat eerder nog boot en kruit en mij de lugt in gaat dan immer een infaame Brabander te worden of het vaartuig overtegeven’. Hij spiegelt zich aan Reinier Claeszen, bevelhebber over een vloot van de Nederlandse marine, die in oktober 1606 bij Portugal zijn schip opblaast om te voorkomen dat hij in Spaanse handen zal vallen. Zijn eigen matrozen houdt hij in de Oudejaarsnacht van 1830 voor dat hij het kruit aan zal steken als zijn schip aan lager wal raakt en door Belgische opstandelingen bedreigd wordt.  Eerder bezweren kanonneerbootcommandanten elkaar al dat zij de voorkeur geven aan een wisse dood boven een slechte behandeling. Zij zullen niet dulden dat er inbreuk gemaakt wordt op Neêrlands roem en eer. Heeft Jan zich aan die afspraak willen houden of is hij wellicht het dromerige weesjongetje, een romanticus, die in een adem met zijn grote helden genoemd wil worden of toch de gekwelde man, een zelfmoordenaar? Wie het weet mag het zeggen.