Zilveren overlijdenspenning door Johann Georg Holtzhey, 1804, 4,4 cm in doorsnee, Amsterdam Museum (inv.nr. PA 632)

De penning verbeeldt de persoonlijke en professionele band tussen de beide vriendinnen die, de armen om elkaar geslagen, bij een altaar staan waarop zij hun werken aan het vaderland (Patriae) offeren. Boven hun hoofden bevinden zich vurige tongen ten teken van hun geestverwantschap. Aan hun voeten liggen boeken van door hen bewonderde schrijvers. Het omschrift “Animo uno ac praeclare” betekent zoveel als “eenstemmig en uitmuntend”.

Op de keerzijde van de penning zien we een graftombe met daarop twee urnen die met festoenen van eikenloof met elkaar zijn verbonden. Op de tombe liggen de lier en fluit van de Romeinse god Apollo, die de harmonie in het kunstenaarschap van de vriendinnen benadrukken. Op een doek staan hun namen en geboorte- en sterfdata vermeld. Zeker voor het begin van de negentiende eeuw een bijzondere manier om een bijzondere vrouwenvriendschap te gedenken.

Dubbelportret van Betje Wolff en Agatha Deken op latere leeftijd door Antoine Alexandre Joseph Cardon naar W. Neering, circa 1778- 1800, ets, Rijksmuseum
Dubbelportret van Betje Wolff en Agatha Deken op latere leeftijd door Antoine Alexandre Joseph Cardon naar W. Neering, circa 1778- 1800, ets, Rijksmuseum

 

Azijn en olie

Betje Bekker werd in 1738 geboren als jongste dochter van een koopman en groeide op in Vlissingen. Op haar zeventiende liet ze zichzelf schaken door een jonge vaandrig. Ze bleef slechts één nacht weg, maar de escapade bezoedelde haar reputatie zodat zij geen ‘goed huwelijk’ meer kon sluiten. Ze trouwde op haar eenentwintigste met dominee Adriaan Wolff die dertig jaar ouder was. Ze zou zijn achternaam blijven dragen. Tijdens haar huwelijk publiceerde zij enkele dichtbundels, maar ook satirische gedichten en pamfletten waarin ze vooral ten strijde trok tegen strenggelovigen.

Aagje Deken, geboren in 1741 in Amstelveen, was vanaf haar vierde wees en groeide op in het Amsterdamse weeshuis “De oranje appel” aan de Huidenstraat (het toegangspoortje bestaat nog). Daarna verdiende ze haar geld als gezelschapsdame en ze publiceerde gedichten.

Het eerste contact werd in 1776 gelegd door middel van een brief van Aagje aan Betje. Betje was nog getrouwd, maar toen haar dominee een jaar later overleed, was de vriendschap tussen de vrouwen al zo gegroeid dat zij vrijwel meteen gingen samenwonen. Vanaf dat moment deden zij alles samen. “Wij doen alles in compagnie,” schreef Betje. Zij hadden heel verschillende karakters en vulden elkaar juist daarom perfect aan. Zoals een tijdgenoot schreef: “Bekker is de azijn, Deken de olie – dat maakt samen een goede saus!”

Caspar Jacobsz. Philips, het tuinhuisje op Lommerlust, ets, circa 1784, Rijksmuseum. De tekst is van later datum

Caspar Jacobsz. Philips, het tuinhuisje op Lommerlust, ets, circa 1784, Rijksmuseum. De tekst is van later datum

 

Sara Burgerhart

In 1781 kocht Aagje van een erfenis de hofstede Lommerlust in Beverwijk waar zij en Betje de zomers doorbrachten. ’s Winters woonden zij in Amsterdam. In de tuin van Lommerlust stond een tuinhuisje waar de vriendinnen bij voorkeur schreven. Hun definitieve doorbraak kwam met de briefroman “Historie van Sara Burgerhart” (1782). Voor het eerst was een vrouw hoofdpersoon in een Nederlandse roman en bovendien bleek dit genre een perfect vehikel om verlichte ideeën over liefde, opvoeding en verantwoordelijkheid voor het voetlicht te brengen. Het succes van de briefroman, waarin de jonge Sara de grenzen van haar vrijheid verkent, betekende ironisch genoeg het einde van de vrijheid van de schrijfsters: Betje klaagde dat ze voortdurend werden gestoord door nieuwgierige fans die de twee aan het werk wilden zien in hun tuinhuisje!

Franse jaren

Nadat Stadhouder Willem V in 1787 de Patriottenbeweging uit elkaar had geslagen, besloten Betje en Aagje, uitgesproken aanhangers van de beweging, om Nederland te verlaten. Ze verkochten Lommerlust en vertrokken naar Trévoux in Midden-Frankrijk. Daar leidden zij een rustig leven: “Wij leven gezond, geacht, bemind en vrolijk.” Toch was niet alles pais en vree: in 1789 maakten ze in Trévoux de Franse Revolutie mee en in 1793 en 1794 de Terreur. Ondanks dat wilden de vriendinnen niet terug naar Nederland, maar toen bleek dat hun kapitaal door slecht beheer in rook was opgegaan, resteerde niets anders dan het aanvragen van Betje’s weduwenpensioen. Daarvoor moesten de dames repatriëren.

De laatste jaren

In 1798 waren Betje en Aagje terug in Nederland, geëngageerder en idealistischer dan ooit. Ze vestigden zich in Den Haag en schreven een radicaal politiek tijdschrift, de “Politique Afleider”, dat echter niet werd gepubliceerd omdat een gematigd bewind aan de macht kwam. De vriendinnen waren teleurgesteld maar hun humeur leed er niet onder. Een neef bij wie ze een maand lang logeerden, schreef: “In die maand dat zij hier waren hebben wij meer gelachen dan anders in vier dito!”

Betje, die altijd al een zwakke gezondheid had, werd echter al snel ernstig ziek. Aagje week niet van haar zijde en verpleegde haar. Betje Wolff overleed op 5 november 1804 en Aagje Deken op 14 november. Zij liggen samen begraven op de begraafplaats Ter Navolging in Scheveningen. Nog voor het einde van het jaar werd de overlijdenspenning geslagen.

Gedenksteen voor Betje Wolff en Aagje Deken op de begraafplaats Ter Navolging in Scheveningen (Wikipedia)

Gedenksteen voor Betje Wolff en Aagje Deken op de begraafplaats Ter Navolging in Scheveningen (foto Wikipedia)

 Zie ook de biografiën van Betje Wolff en Aagje Deken op het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland: