Nicolaas Bauer, De eerste stoomboot op het IJ, 1806-1826
Reisdagboek

In de zomer van 1837 maakte Piet van Eeghen een rondreis door Groot-Brittannië, met zijn oom Albert en neef Jan. Een ‘grand tour’ door Frankrijk en Italië was niet ongebruikelijk voor een heer van stand, maar zo’n reis naar Groot-Brittannië was bijzonder. Dat had onder andere te maken met het feit dat de stoomboot nog niet lang bestond en er nog geen reguliere veerdienst tussen Nederland en Engeland was. 

Van Eeghen was twintig jaar, een jonge Amsterdamse zakenman met een brede belangstelling en een enorme hoeveelheid energie. Hij hield een reisdagboek bij dat uiteindelijk 131 bladzijden zou beslaan. Het staat vol met enthousiaste verhalen over moderne steden en fabrieken, oude kastelen en nieuwe musea. En over de wilde natuur waar hij vooral in Schotland en Wales zeer van genoot. 

C.P. van Eeghen, Journaal van eene Reis door Engeland, Wales & Schotland, 1837 (titelpagina)

De lagere burgerklasse

Piet van Eeghen maakte altijd lange dagen, zeker op reis. Hij maakte urenlange wandelingen en bestudeerde grondig alle bezienswaardigheden die hij maar kon vinden. Maar als hij de zaken niet in de hand had kon hij behoorlijk ongeduldig zijn. Zoals op 4 juli 1837, toen het gezelschap met de stoomboot van Glasgow richting de kustplaats Oban wilde vertrekken. Van Eeghen reisverslag geeft een mooi inkijkje in de standenmaatschappij van de negentiende eeuw. 
Wij lieten ons van morgen tegen 7 uur naar eene stoomboot brengen om daarmede Glasgow te verlaten, doch vonden dezelve tot onzen spijt letterlijk volgepropt met menschen, van welke de meesten tot de lagere burgerklasse behoorden.

Van Eeghen was niet gewend om opeengepakt te zitten met mensen uit de ‘lagere burgerklasse’. Alsof dat niet erg genoeg was waren al deze mensen naar Glasgow gekomen (‘gelokt’, volgens Van Eeghen) door de kermis. Met die volkse vorm van vermaak wilden de Amsterdamse heren vanzelfsprekend niets te maken hebben.

Hinderlijk goedkoop

Piet van Eeghen verwonderde zich in zijn reisdagboek over de ‘onbegrijpelijke goedkoopheid der plaatsen’ op de stoomboot. Het doet me denken aan Kundera’s ‘The Unbearable Lightness of Being’, een van de mooiste romantitels die ik ken. Van Eeghen:
de onbegrijpelijke goedkoopheid der plaatsen, welke bepaaldelijk door de mededinging van andere stoombooten werd veroorzaakt: zoo kostte de beste plaats naar Oban slechts 5 shillings en sommige mindere zoo als bijv. op de voorplecht 6 pence. Wij waren dus genoodzaakt ”tant bien que mal’ onze “seats” te nemen, en voeren eindelijk tot onze groote vreugde weg. 

Tant bien que mal, zo goed en zo kwaad als het ging tussen al die gewone mensen. Heel wat anders dan op de heenweg naar Engeland, toen de drie Amsterdammers op de stoomboot twee Duitse prinsen ontmoetten, die op weg waren naar prinses Victoria. Maar dat was dan ook een veel duurder schip geweest. Terug naar Glasgow, waar de stoomboot na lang wachten eindelijk vertrok:
De boot was echter zoo vol geladen, dat dezelve in plaats van zoo als gewoonlijk 9 mijlen slechts 5 [..] door het water konden worden heengesleept, en zoo kropen wij langzaam de Clyde af, telkens het verdriet hebben de van door de menigte stoombooten, waarmede deze rivier bedekt is, te worden voorbij gesneden.

Waren de prijzen maar hoger geweest, dan was al dat volk aan land gebleven en was Van Eeghen eerder op zijn bestemming aangekomen. Onbegrijpelijk lage prijzen, onbegrijpelijk volle boten, een onbegrijpelijk samengaan van arbeiders en gegoede burgers aan boord. De afbrokkeling van de standenmaatschappij was begonnen.